|
zou
zijn in Centraal-Azië, verschillende eeuwen voor ons
tijdperk. En dat het de Mongolen waren die als eersten
de meest nobele verovering van de mens bereden. Waar
het paard elders, eenmaal huisdier gamaakt, enkel
diende om lichte karren te trekken, niet om ermee
te strijden. Men vond het zadel, het bit en de stijgbeugel
(IIIde tot Vde eeuw voorC) pas veel later uit Dit
na de uitvinding van het ossejuk en de borstriem (rond
900 voor C), die toestaat de paarden in te spannen
voor zware ladingen zonder ze op te hangen.
Deze details lijken van geen belang, maar bewijzen
nog eens dat deze "kleine" dingen grote gevolgen kunnen
hebben voor het dagelijks leven, de industrie en de
oorlogsvoering. Verworvenheden die men niet kan uitleggen
als men de kleine details die alles veranderen over
het hoofd ziet.
Zoals van de knots naar het stenen zwaard, evolueerde
men naar de koperen, gegoten degen.. Om vervolgens
het geniale idee te krijgen koper met tin (die niet
afkomstig waren uit dezelfde regionen) te mengen teneinde
bronzen degens te verkrijgen die de koperen braken.
De ijzeren degens, langer en steviger, verbrijzelden
deze van brons(breekbaar). En het staal brak het ijzer.
De gehele techniek verandert en maakt invallen en
veroveringen mogelijk. Nu is men toe aan de laser
die het staal snijdt. Er waren ook klimathologische
veranderingen waarover de historie weinig praat (mini-ijstijd
of mini opwarmtijd). Zo komt het dat een afkoeling
de Vikings naar het zuiden dwong. En de Mongolen van
de steppen van Asië naar China en Europa. De mongoolse
troepen trokken Oost-Europa binnen ondanks de weerstand
van de bewoners en hun kennis van de oorlogskunst
daar deze te beboste streek niet genoeg eten kon verschaffen
aan hun duizenden paarden (zonder rekening te houden
met een dramatische mini-ijstijd). De Mandchous vertrokken
eveneens voor dezelfde reden naar het zuiden.
Soms waren het andere redenen die alles overhoophaalden.
Een epidemie (pest, cholera, typhus,
pokken) ontvolkte een regio of natie zodanig dat een
verovering mogelijk was. Het bit en dan de stijgbeugel
waren ook zo'n kleine dingen die alles veranderden
voor het "Paardrijden". Men kon besturen, een
wispelturig paard beheersd rijden. Men kon zich oprichten
in de stijgbeugels, de galop opvangen (en beter schieten
met boog of vuurwapen), en zich omdraaien door de
borst te draaien (onmogelijk zonder stijgbeugels)
om naar achteren te schieten of met de sabel te strijden.
De amerikaanse indianen, die zonder zadel en stijgbeugels
reden, hadden daarmee een probleem.
De Mongolen waren te vrezen ruiters niettegenstaande
ze hun half-wilde paarden zonder zadel of bit
(een lederen riem zat rond de keel) reden. Het paard
is pas laat belangrijk geworden in Japan, rond de
Vde-Vide eeuw denkt men.
Het mongoolse bloed deels aanwezig in elke japanees,
is het normaal dat elke militair die een paard bezat
(zeldzaam en duur) gepassioneerd was door de Kunst
van het Militair Paardrijden. Maar dit was enkel het
erfdeel van de adel. Intussen moet men weten dat het
japanse paard meestal, evenals het mongoolse, chineese
en koreaanse, een kleine doch robuuste poney was.
Oude voorstellingen tonen waardigheidsbekleders die
met hun voeten bijna de grond raken. Deze poney was
wollig 's winters, volhardend en traag, zwaar maar
met een "moeilijk karakter". Op het slagveld moest
men een goed ruiter zijn, zeker toen de vuurpijlen
(mongools tijdperk) verschenen en daarna de vuurwapens,
dan de canonnen (vanaf de jaren 1500).Vergeleken met
de grote en nerveuze volbloeden in die tijd in het
Westen, met de mustangs en de nerveuze arabieren (kleiner
dan die in Europa), is het verschil belangrijk. Dit
ras bestaat nog in Azië en … in de franse Pyreneën,
in Baskenland, waar deze paarden Pottocks genoemd
worden.
De eerste paarden zouden verschenen zijn in Azië,
vanwaar ze zich verspreid zouden hebben naar het westen
(Midden-Oosten en Europa) en naar het oosten, via
de Behring-Straat naar Amerika (verbonden met
Eurazië, het zeeniveau was 80 tot 100 m lager 20000
jaar geleden). Ze verdwijnen vervolgens in Amerika,
waar ze terug binnengebracht worden door de Conquistadors
tussen 1492 en 1500. Ze evolueren (door menselijke-
of natuurlijke sekektie) zodanig bij de mediteraanse
volkeren dat, bij voorbeeld, verschillende eeuwen
voor C de chineese bestuurders voor griekse hengsten
gouden prijzen betaalden, in die tijd met zijde-rollen
(waarvan het geheim behouden bleef tot de Vide eeuw
naC), om kruisingen te bekomen of
voor de reproduktie. Paarden hadden een voorkeurplaats
op de lijst van cadeaus uitgewisseld tussen het
Oosten en China, en tussen China en Japan. De grote
Uji van de Samurai (Families, Clans) fokten paarden,
ieder zijn geheimen bewarend. De Nambu Clan - paarden
waren gerenomeerd in heel Japan.
Er bestonden gespecialiseerde Scholen. Zowel voor
de stategie te paard (alleen of in groep) als voor
de individuele gevechtstechniek. De kunst van de Ba-Jutsu
omvatte wat elke militair, japanees, chinees of oosterling
moest kennen : perfekte beheersing van en begrip voor
het paard, hindernisspringen, houding bij het oversteken
van rivieren (Sui-Bajutsu) veel voorkomend in Japan,
het te paard springen vanaf grote hoogtes, versteviging
van de heupen (Norikata) om de lange uren te paard
te kunnen verdragen en een stevige zit te bewaren
om te vechten : met degen, gebogen sabel, Yari, Naginata
en vooral het bereden boogschieten. En om aan de wapens
van de voetgangers te weerstaan: dezelfde alsook speciale
wapens om te ontwapenen zoals deze soorten van haken
met één of meerdere tanden. De immense sabels, No-Tachi
et Jin-Tachi om voetgangens buiten gevecht te stellen
als men te paard was, en om de benen van de paarden
of hun ruiter af te slaan als men te voet was.
Dit aangaande, is het nodig te herinneren dat er
gelijkenissen bestonden tussen het Westen en Japan
(het paard gereserveerd voor de aristocratie) maar
ook belangrijke verschillen op het vlak van oorlogsvoeren.
Zoals, terwijl het boog-schieten (te voet of te paard)
beschouwd werd in het feodale Europa als "niet-nobel"
(eveneens alle werpwapens), in Japon de boog bijna
het erfdeel van de aristocratie was. Er waren gelijkenissen
in ijdelheid, enkel de hoogst gegradueerden en waardigheidsbekleders
hadden het enig privilege paard te rijden, uitgezonderd,
natuurlijk,enkele speciale cavaleriekorpsen, de wachten
en de boodschappers. Een ander verschil was, in de
vele gewoontes die tegengesteld zijn tussen het Westen
en Japan, dat de Japanner opsteeg rechts van het paard,
zijn lichaalmsgewicht naar achter brengend, en in
Europa men links opsteeg (rug naar hoofd van het paard
gekeerd) met de linker voet, het lichaam geplooid
naar voor brengend om op te stijgen.
Het japans zadel was in hout, met voor en achter
een boord. Op het slagveld was het paard beschermd
(uitgezonderd de benen) door een licht lederen harnas,
met metalen platen, en een metalen voorhoofdsplaat.
De Samurai-ruiter hield een teugel in elke hand en
maakte ze om te vechten vast aan een ring van zijn
harnas. Met de knieën sturend en zich in de richting
buigend waarin hij wil gaan. Zo zigzaggend de tegenstrever
naderend, om de pijlen te ontwijken en de zijne ononder-broken
te lanceren (zeker na de ondervinding van de mongoolse
invallen, waar deze techniek gebruikt werd).
Het boogschieten te paard werd Kisha (literaal «
boogschieten op een paard dat rent ») genoemd.
De stijgbeugels, in dewelke de voeten volledig pasten,
waren aan het zadel vast, zo gemaakt om het water
te laten doorstromen daar de oorlogscampagnes akties
noodzaakten met doorsteken van de vele rivieren, stromen,
zeearmen aanwezig in Japazn (Sui-Bajutsu).

De fysiche training zonder wapens omvatte acrobatieën
et stunts maar ook het lijf aan lijf-gevecht, zoals
sommige Sutémis waar de ruiter zich opofferde om de
andere ten val te brengen.
Er waren ook handelswijzen om de vijand stil te benaderen.
Door het bit met stof te bekleden, en de neus van
het paard in een speciale zak te steken (Bai) om het
zo te verhinderen te hinniken. Het onderricht van
het paard was heel belangrijk, teneinde het waden
te laten doorsteken, bermen en zelfs rotswanden te
laten springen, zich neer te leggen, enz … Deze oefeningen
gebeurden rondom de Dojos van de Uji (Families, Samuraiclans,
die duizenden en zelfs tientallen duizenden Samurai
konden uitmaken, met forten, kasernes, dojos, schietstanden,
kunstmatige vijvers voor de watertraining van de paarden
en het zwemmen met wapenuitrusting).
In de edukatieve spelen op gebied van de krijgskunst,
bestonden er 3 types geliefde trainingen :
Schieten
op 3 opeenvolgende cibels in gestrekte
galop (de 3 verenigde en erna vijandige
koninkrijken van Korea voorstellend),
met fluitende pijlen, Kaburaya genoemd.
Hedentendage blijven er maar enkele Scholen
over, waaronder de Takeda-Ryu (Hosokawa-Ryu)
en Ogsawara-Ryu, beiden afstammend van
de familie Henmi (Clan Genji). De moderne
Yabusame wordt Kisha-Hasami-Mono, genoemd
en beoefend met het ritueel Shinto in
de herfst.
Schieten
op 80-100m op een vastgemaakte hoed, gedaan
in galop, of door dichtbij schieten "Kasagake",
in beide gevallen met pijlen met een bol
voorzien.
Schieten
op achtervolgde hond. Voor de Heian-periode
op apen, damherten, en losgelaten hondenbinnen
een omheining. Met normale pijlen, of
voorzien van een bol om niet te doden,
"Hikime" genoemd.
|
De
Japanners, zoals de Mongolen en nog meer de Chinezen,
waren ekstreem handig in wat men kan noemen acrobatieën
en stunts te paard. Deze vergemakkelijkt door de kleine
taille ven de asiatische paarden en door de zadels
voorzien van handvaten.
Te noteren valt dat de gebogen vorm van de Katana
op punt gezet werd voor het gevecht te paard (in het
Westen was de sabel gebogen voor het gevecht te paard).
Voor het Nara-tijdperk, was de sabel voor het gevecht
te voet recht zoals in Korea en China. Om veschillende
redenen (de nobelen imiteren met hun Tachis was zich
vernobelen als Samurai), bleef de gebogen vorm behouden
voor de grondgevechten toen het paard in ongenade
viel.
De Ba-Jutsu heeft verschillende periodes van verval
gekend (uitgezonderd voor de aristokratie). Tijdens
de burgeroorlogen, met speciale Yari en wapens (een
soort hark) was het te gemakkelijk voor een voetganger
de ruiter te grijpen of te bereiken, en zelfs
de pezen van het paard door te snijden. Er was een
tweede verval na de invalspogingen van de mongolen
(1281). Belangrijker in het begin van de periode van
Muromachi (1336), en terug in verval als de burgeroorlogen
hernemen (begin XVIde eeuw). Dan een heropleving en
het definitieve verval als Oda Nobunaga (getoont in
de
film « Shogun »), anti-conformist et fijne strateeg,
systematisch musketten in het gevecht deed gebruiken
rond 1600 en op de paarden liet richten in plaats
van op de ruiters : zijn troepen gewapend met musketten
verscholen zich achter palissades en slachtten de
in galop gelanceerde paarden af alvorens ze de eerste
linies konden bereiken. Op het einde van de periode
waarin de kaste van de Samurai verdween en het dragen
van de sabel verboden werd (1876), telde men nog meer
dan 50 verschillende Ba-Jutsu - scholen in Japan,
waarvan de oudste – daterend van de XVde eeuw – Otsubo-Ryu
was.

Stany
LEDIEU [Vertaling originele tekst
door Dirk Gasthuys]
|